Achtergrond info
WIJ HEBBEN GEEN STEM
Heren droogstoppel, heren inspecteurs en ontvangers, U hebt mijn huis leeg geroofd. Is dat woord niet te zwaar ? Het was op grond van tien aanslagen tegelijk. Met volledig verzonnen bedragen. Zonder enige mogelijkheid van verweer. Daar is toch geen fundament voor ? U wilde een daad stellen. Fors en krachtig. Een blikseminslag bij heldere hemel. Dat daarmee de Normen, uw eigen Normen, ver werden overschreden, begrijpt u vast niet. Maar met mij zijn er velen, die dezelfde waanzinnige operatie ondergingen. Leeggeroofd dus een te zwaar woord ? Wat moet het dan worden ? Wederrechtelijk onteigend ? Gestolen ? U zegt: “Het is uitsluitend verplaatst. Om als onderpand voor uitbetaling aan ons te dienen”. Maar daarvoor had u al beslag op mijn huis. ‘t Was dus dubbelop. En totaal overbodig. Maar wij missen onze herinneringen en onze spullen nu al die vele, vele jaren. Ik zou die depots wel eens willen zien, waar mijn zuur verdiende vermogen ligt te verrotten. Voor zover het tenminste niet door diefachtige ambtenaren is gestolen.
Van die beslagen wordt geen enkele verantwoording afgelegd. De beslagen spullen verdwijnen compleet. Zonder enig spoor. Goodbye schilderijtjes. Goodbye kost-bare verzameling. Goodbye herinnering. Het is slechts stof der aarde. Dat weet ik. Maar een staat, die de spullen van zijn onderdanen achterover drukt, kan ik niet anders dan een roofstaat noemen. Een roofstaat tussen Groningen en de Schelde. Dat beslag op mijn spullen legt. Dat duurt eindeloos. Er is geen einde aan. Hoe is het mogelijk. Dat de Verhevene zo verheven is, dat men zich vergrijpt aan wat van mij is. Wraak is wat het oproept. Wraak en walging.
Een beslag zal eens een looptijd moeten hebben. Een eindeloos beslag. Daar is in deze wereld geen plaats meer voor. Zelfs moordenaars worden na een paar jaar weer opgenomen in de maatschappij. Maar tegenstanders van u, droogstoppels, kunt u leegroven voor altijd.
RECHTSPRAAK
En dan ook nog uw veel geroemde rechtspraak. Als ik het niet eens ben met u, droogstoppels, dan ga ik naar het gerecht. Uw gerecht. Dat is twee handen op één buik. Een andere instantie is er niet. Bent u bang voor pottenkijkers ? Onafhankelijke derden ? Mensen, die het mogelijk niet met u eens kunnen zijn ? Met uw eigenmachtig optreden. Wilt u daar eens aan denken, heren droogstoppel ?
IK HEB GEEN STEM
Ik heb geen stem, heren. Gelijk een worm ben ik. Nietswaardig en nutteloos. En als nietswaardige schrijf ik dan dit betoog. Als u mij vertrapt, heren, dan word ik wedergeboren. Duizendvoudig. Mijn betoog. Het betoog van een worm zonder stem. Het zal krachtiger en krachtiger klinken. Het zal aangroeien tot een storm.
Dit betoog heeft een boodschap. Een boodschap, die ten hemel schreit. Alles wat ik was en wat ik bezat werd getroffen. Door grenzeloze minachting. Door non-chalance, onzorgvuldigheid. Twintig jaren duurt dit al. Twintig jaren van onrecht gestapeld op onrecht. Ik wil gelezen worden.
Juist nu.
Ik wil gelezen worden door staatslieden. Die letten op de tekenen des tijds. Door landgenoten. Die zuchten onder 't juk. Twintig jaren leef ik tussen hoop en angst. Iedere dag vreet het. Iedere dag. Verhevene, u bent voorgoed verdwaald. Daarom wil ik gelezen worden.
Juist nu.
Dit betoog heeft een boodschap. Alles in dit betoog zal bewezen worden. Van alles is bewijs. Ik schrijf dit betoog om te bereiken, wat onbereikbaar lijkt: een ogenblik gehoor. Het is mij niet te doen om goed te schrijven. Ik wilde zo schrijven, dat ik gehoord word. Dat ik gelezen word.
Juist nu.
IK HEB HIER MIJN MISERERE GEZONGEN
Ik heb hier mijn miserere gezongen. Dit miserere klinkt zoals ik het zong. Zoals het uit mij opwelde. Er zijn tientallen, honderden, ja duizenden kelen waaruit ons miserere klinkt. Waarom vernietigt, verplettert men ons ? Hele levens worden verwoest. Uit naam van gerechtigheid. Uit zin om te vertrappen. Te vermorzelen. Heb toch eens erbarmen met ons. Zet eens een punt achter uw duizendvoudige wraak. Al die ombudsmannen, verzoekschriften-commissies, mediatie-clubs. 't Is al vergeefs. Ze leiden tot niets. Het is al leed wat men maakt. Wanneer mogen wij door gaan met ons leven ?
